Dag van de Actieve Openbaarmaking:

over trots, kennisdeling en beren op de weg

Actieve openbaarmaking. Het is een nobel streven, maar wat betekent het in de praktijk? Hoe gaat de Rijksoverheid bijvoorbeeld om met de meer dan miljard mails die je jaarlijks te verstouwen krijgt? En wat is straks de rol (en de kracht) van de Woo (de Wet open overheid)? Tijdens de Dag van de Actieve Openbaarmaking stonden dit soort vragen en issues centraal. Conclusie: er worden binnen de overheid flinke stappen gezet, maar er zijn ook nog de nodige beren op de weg. Een korte impressie van het ochtendprogramma.

video-play-button

Videoterugblik op de eerste dag van de Actieve Openbaarmaking op 11 december 2020.

Tekst Frits de Jong

INTRODUCTIE MARIEKE VAN WALLENBURG

“Een transparante overheid die duidelijk is in wat zij doet en waarom zij dat doet, is cruciaal.” Dat zei Marieke van Wallenburg, directeur-generaal Overheidsorganisatie bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de officiële inhoudelijke opening van de Dag van de Actieve Openbaarmaking. Volgens Van Wallenburg laten de actualiteit en de huidige tijd zien dat de verbinding tussen de overheid en de samenleving ongelooflijk belangrijk is en dat actieve openbaarmaking daarbij steeds meer een must is. Ook al in het kader van het wetsvoorstel open overheid (Woo). Dat wetsvoorstel, dat momenteel bij de Tweede Kamer ligt, maakt actieve openbaarmaking voor overheden tot een verplichting. “Daarnaast is er een steeds groter wordende roep vanuit de samenleving om overheidstransparantie. Dat zie je onder meer aan de toename van het aantal Wob-verzoeken (Wet openbaarheid van bestuur), maar het kwam bijvoorbeeld ook terug bij de verhoren van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag.


Actieve openbaarmaking op papier klinkt leuk, maar het is niet/nog weinig concreet. Dat concreet maken (de implementatie) gebeurt onder meer met behulp van het RDDI (Rijksprogramma Duurzaam Digitale Informatiehuishouding). Het RDDI heeft verschillende generieke producten en diensten ontwikkeld om actieve openbaarmaking te ondersteunen en de kennisontwikkeling te bevorderen.

Marieke van Wallenburg:

Actualiteit laat zien dat verbinding tussen overheid en samenleving ongelooflijk belangrijk is

JACQUELINE RUTJENS

Net als Van Wallenburg vindt ook Jacqueline Rutjens, programmadirecteur van het RDDI, dat er tijdens de implementatiefase van de actieve openbaarmaking vooral van elkaar geleerd wordt. “Wat lukt goed, wat is ingewikkeld en wat kan de ene organisatie van de andere organisatie leren? Deze dag bijvoorbeeld, die komt voort uit de organisaties zelf. Binnen die organisaties werd gezegd: we zijn zo hard bezig en dit onderwerp raakt steeds het nieuws, maar laat ons nou ook vertellen en met elkaar delen waar wij nu staan. Ambtenaren zijn over het algemeen genomen erg trots op hun werk en willen hun werk graag erg goed doen. Die trots, met name voor het onderwerp actieve openbaarmaking, is dan ook eigenlijk de aanleiding geweest voor het organiseren van deze dag.”


Het RDDI ontwikkelt een groot aantal producten en diensten, zoals een Handreiking actieve openbaarmaking, het Platform Open Overheidsinformatie (PLOOI, dat binnenkort wordt gelanceerd) en een implementatietraject. Rutjens hoopt dat volgend jaar rond deze tijd journalisten en burgers gemakkelijker overheidsinformatie kunnen vinden en een andere type overheid ervaren.

Jacqueline Rutjens:

Er wordt al veel actief openbaar gemaakt, maar het is alleen zo moeilijk vindbaar

NATIONALE ACTIEPLAN OPEN OVERHEID

Het thema actieve openbaarmaking komt ook keer op keer terug in het Nationale Actieplan Open Overheid, een initiatief dat is aangesloten bij het Open Government Partnership, een wereldwijd netwerk dat sinds 2011 bestaat en destijds geïnitieerd is door Barack Obama (VS) en David Cameron (VK). Iedere twee jaar verschijnt er in Nederland een nieuw actieplan en inmiddels zijn we toe aan het vierde Nationale Actieplan Open Overheid. Marieke Schenk is projectleider van het vierde plan, waarin drie uitgangspunten centraal staan: een open overheid voor een open democratie; een interactieve totstandkoming van het actieplan; en de oprichting van een Alliantie Open Overheid. “Die alliantie, die begin december van start is gegaan, is bedoeld als een breed netwerk voor iedereen die bezig is met dit thema.”


Nauw betrokken bij de totstandkoming van het actieplan zijn Serv Wiemers, sinds september directeur van de Open State Foundation en Guido Rijnja, sinds 2013 adviseur communicatiebeleid bij de Rijksvoorlichtingsdienst van het ministerie van Algemene Zaken. Als het gaat om actieve openbaarheid gelooft Rijnja dat het vaak niet zozeer zit in het niet willen (“Veel ambtenaren willen niets liever dan informatie openbaar maken”), maar waar het wat Rijnja betreft vaak schuurt is het niet kunnen. “Daarom is zo’n leidraad van het RDDI ook zo nodig. We moeten het vakmanschap zo sterk maken dat ambtenaren hun worsteling makkelijker aan kunnen kaarten. Maar ook dat leiders zien dat hun mensen worstelen met de problematiek van actieve openbaarheid en daar contact over zoeken. Het klinkt simpel, maar het zit echt vaak in het gesprek op de werkvloer. Als dat gesprek niet goed is, dan ga je het soms langer vasthouden of ga je informatie weg zitten lakken…”


Wiemers vindt de opmerking van Rijnja, dat het vooral een kwestie is van niet kunnen, iets te makkelijk. De OSF-directeur constateert dat het in Nederland nog lang niet goed geregeld is. “We hebben nog steeds te maken met de Wob, een wet uit de jaren tachtig van de vorige eeuw. Op de Global Right to Information Rating staat Nederland op de 73ste plaats. Ook de Raad van Europa bekritiseert ons land constant als het gaat om openbaarheid van informatie. Er moet in ons land nog heel veel gebeuren. Deze dag is fantastisch, maar is ook echt broodnodig.” In het kader van het actieplan steekt de Open State Foundation dan ook zelf de armen uit de mouwen. “Wij pakken drie actiepunten op, samen met andere stakeholders: Open Wob, Open Contracting en Open Klachten.”


Nog even terugkomend op het vakmanschap waar Rijnja het over had. Wat hebben ambtenaren nodig om daadwerkelijk aan de slag te gaan met actieve openbaarheid? Vraagt dat een bepaald type ambtenaar? Kortom: wat maakt een goede (open) ambtenaar? Rijnja zegt daarover: “Het is erg moeilijk om dat in zijn algemeenheid te zeggen, maar je ziet een aantal punten steeds terugkomen. Zoals het hebben van moed, dat je als ambtenaar en bestuurders tevoorschijn durft te komen. Het tweede is dat je de kaarten van de borst durft te halen. Zoals premier Rutte durfde te zeggen aan het begin van de coronacrisis: ‘Met vijftig procent van de kennis moeten wij honderd procent van de besluiten nemen.’ Open en eerlijk durven zeggen wat er aan de hand is en aangeven wat je wel en niet weet.” Toch had Serv Wiemers de aanpak van de coronacrisis graag nog meer opener gezien. “Dit is zo’n cruciaal onderwerp waar de maatschappij mee moet kijken. Juist in dit proces.”

Marieke Schenk, Serv Wiemers en Guido Rijnja.

WET OPEN OVERHEID

Onder leiding van dagvoorzitter Marcel Bril debatteerden vervolgens Tom Barkhuysen, Diebrichje Brands, Wil van der Schans en Steven van Weyenberg uitgebreid over nut en noodzaak van de Woo (Wet open overheid). Ook uit deze discussie kwam naar voren dat Nederland al lang niet meer vooroploopt als het gaat om (actieve) openbaarmaking. Of zoals Van Weyenberg, Tweede-Kamerlid voor D66 en (samen met Bart Snels, GroenLinks) indiener van het initiatiefwetsvoorstel Open Overheid, waarin het onderwerp actieve openbaarmaking een grote rol in speelt, het formuleerde: “Toen de Wob werd geïntroduceerd, waren we zo ongeveer koploper in de wereld. Dat zijn we niet meer.” Van Weyenberg vindt de eensgezindheid over actieve openbaarmaking mooi, maar ziet ook dat in de praktijk het ingewikkeld is om uit te voeren. “Onze overheid is er nog lang niet klaar voor. De informatiehuishouding van de overheid is, als je het ondiplomatiek wilt zeggen, toch nog een beetje een bende.” Diebrichje Brands (RDDI) gelooft dat het vooral angst is die ervoor zorgt dat Nederland (al lang) niet meer in de kopgroep zit. “We zijn actieve openbaarmaking niet gewend, maar dat is geen reden om het nu niet te gaan doen. Er is afgelopen jaar ook al erg veel gebeurd vanuit het Rijksprogramma en komend jaar gaan wij daar mee verder.”


Ook Tom Barkhuysen, hoogleraar Staats- en Bestuursrecht aan de Universiteit Leiden, ziet dat er de laatste jaren een toenemende hang is naar informatie vanuit de overheid. Volgens hem betekent dat ook iets voor de overheid. “In algemene zin moet je zeggen dat de houding van de overheid en van de ambtenaren is veranderd. Kijk naar de Toeslagenaffaire. Daar zie je samenkomen hoe de overheid is veranderd. De overheid is een onderneming geworden gericht op het bereiken van doelen en daar moet heel veel voor opzij worden gezet. De burger werd de laatste jaren door de overheid vaak gezien als een lastige sta in de weg. In dat klimaat past het ook dat je, als overheid, niet te veel in je kaarten laat kijken. Openbaarheid kan er juist voor zorgen dat het moeilijker wordt om werk te realiseren. Dat er meer kritische vragen komen omdat alle tegenargumenten ook op tafel worden gelegd. Die manier van denken heeft, denk ik, bijgedragen aan de wat krampachtige houding die de overheid heeft met openbaarheid van bestuur.”


Iemand die veel ervaring heeft met openbaarheid van bestuur binnen de overheid, is Wil van der Schans. Hij is onderzoeksjournalist bij de KRO-NCRV en lid van de Wob-werkgroep VVOJ (Vereniging van Onderzoeksjournalisten). Van der Schans ervaart bij de overheid een soort angst voor journalisten. “De reflex bij de meeste ambtenaren is dat er iets aan de hand is als er bij hen een Wob-verzoek binnenkomt. Gelukkig zie en ervaar ik ook steeds meer een open houding bij ambtenaren. Die zijn bereid je op tal van manieren te helpen.” Van der Schans zou graag zien dat ambtenaren de input van journalisten ook, of met name, gebruiken om van te leren en om het proces te optimaliseren. De onderzoeksjournalist ziet die leerreflex nog te weinig bij de overheid.

Tom Barkhuysen, Diebrichje Brands, Wil van der Schans en Steven van Weyenberg.

REGISTER

Een van de oorspronkelijke punten uit het wetsvoorstel open overheid, was een register waarin alle zaken zouden komen te staan die de overheid aangaan. Het voornemen van een dergelijk (openbaar) register leidde, met name in politiek Den Haag, tot veel ophef vanwege de vermeende kosten en het verwachte extra werk. Uiteindelijk kwam het register dan ook niet terug in het wetsvoorstel dat nu ter inzage ligt bij de Tweede Kamer. Steven van Weyenberg noemt het afblazen van het register de belangrijkste afzwakking die hij en Snels in de aanpassing – van het voorstel – hebben moeten doen om het betaalbaar en werkbaar te maken. “Daar ben ik ook heel eerlijk over.” Wil van der Schans noemt het niet opnemen van het openbaarheidsregister in de Woo een gemiste kans en wijst daarbij onder meer naar landen als Zweden en Noorwegen, waar een dergelijk register wel aanwezig is en ook nog eens goed functioneert. Als het aan Van der Schans ligt moet een dergelijk register, ondanks de weerstand in politiek Den Haag, er gewoon komen. “Neem als voorbeeld ‘het beruchte bonnetje van Teeven’. Dat konden ambtenaren destijds niet vinden. Als er een registerplicht was geweest, dan was dat bonnetje veel eerder gevonden en was de minister wellicht niet gevallen.“


Ook Tom Barkhuysen is een voorstander van een dergelijk register. “Zet alle documenten die door de overheid worden geproduceerd, in een register en maak die documenten in beginsel actief openbaar. Wat mij betreft zouden we zoiets alsnog moeten overwegen omdat het bijdraagt aan een open overheid, het past bij actieve openbaarmaking, maar tegelijkertijd denk ik ook dat het heel veel werk en aversie bij de overheid wegneemt als er een Wob-verzoek binnenkomt.”


Overigens hebben de uitkomsten van de kindertoeslagaffaire en de daarop volgende brief van het (demissionaire) kabinet inmiddels juist op dit punt een versnelling gebracht.